Werknemers en insolventie

WERKNEMERS EN INSOLVENTIE
Een rechtsvergelijkende studie naar de rechtspositie van werknemers bij insolventie van de werkgever


Aanleiding voor het onderzoek

In 2012 heeft de minister van Veiligheid en Justitie het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht aangekondigd. Overwogen werd dat de economische en sociale gevolgen van een faillissement, zowel voor de failliet, de betrokken werknemers als schuldeisers rechtvaardigen dat gekeken wordt naar het wettelijk kader. Binnen het programma worden verbeterpunten in het faillissementsrecht verkend en uitgewerkt. Het programma rust op drie pijlers:
i. fraudebestrijding;
ii. versterking van het reorganiserend vermogen van bedrijven, en
iii. modernisering.

Binnen de pijlers wordt gewerkt aan diverse wetsvoorstellen. Binnen de tweede pijler wordt bezien hoe faillissementen zoveel mogelijk kunnen worden voorkomen en, als dat niet mogelijk blijkt, welke maatregelen kunnen worden getroffen om een doorstart te vergemakkelijken. In het eerste wetsvoorstel (Wet continuïteit ondernemingen I) binnen deze zogenoemde ‘reorganisatiepijler’ wordt onder meer een uitdrukkelijke wettelijke regeling geboden voor de pre-pack, een uit het Engelse recht bekende rechtsfiguur die in de praktijk ook in Nederland door het merendeel van de rechtbanken wordt gefaciliteerd door reeds vóór een aanstaand faillissement aan te geven wie in dat faillissement tot curator en rechter-commissaris zullen worden benoemd. Bedoeling van de regeling is de onderneming de gelegenheid te geven het faillissement en, indien aan de orde, een mogelijke verkoop en doorstart van bedrijfsonderdelen in relatieve rust, onder het toeziend oog van de toekomstige curator, voor te bereiden. Nadat het wetsvoorstel waarin een en ander is neergelegd, was voorgelegd aan de Afdeling Advisering van de Raad van State, kregen de doorstarts van postorderbedrijf Neckermann en kinderopvangorganisatie Estro de nodige aandacht in de landelijke media. Beide kwamen tot stand met gebruikmaking van de pre-packmethode. Verschillende Kamervragen werden gesteld en de Estro-casus was een van de onderwerpen die werden besproken tijdens het Algemeen Overleg tussen de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Tweede Kamer over de kinderopvang op 24 september 2014. Daarin werd aandacht gevraagd voor de positie van werknemers in faillissement, mede naar aanleiding van een brief van de FNV aan de Vaste Kamercommissie, waarin erop werd gewezen dat de ‘in vergelijking tot onze buurlanden extreem grote bevrijding van personeelslasten’ als gevolg van faillissement het aanvragen daarvan met het oog op een goedkope, bevrijdende doorstart aantrekkelijk maakt. Volgens de FNV is Nederland het enige land waar de bepalingen met betrekking tot overgang van onderneming in een insolventieprocedure volledig niet van toepassing zijn. Daarom zou het ‘schijnfaillissement’ volgens de brief ook een typisch Nederlands verschijnsel zijn. De minister heeft, als reactie op een en ander, aan de Tweede Kamer een onderzoek
toegezegd naar de positie van werknemers in faillissement, waarbij tevens de vraag diende te worden betrokken hoe een en ander is geregeld in de ons omringende landen. De opdracht tot het verrichten van dit onderzoek is een uitvloeisel van die toezegging.

 

Doel- en vraagstelling
Centrale vraag in dit onderzoek is in hoeverre de arbeidsrechtelijke positie van de werknemer wiens werkgever in een insolventieprocedure verzeild raakt, verschilt van die buiten insolventie. Tevens wordt onderzocht hoe een en ander is geregeld in België, Duitsland, Engeland en Frankrijk.

Doel van het onderzoek is het verschaffen van een overzicht van alle relevante aspecten van de hiervoor weergegeven problematiek op een zodanige wijze dat een goed onderbouwde beleidskeuze kan worden gemaakt voor eventuele aanpassing van de positie van werknemers bij faillissement en/of surseance van betaling. Met het oog daarop vormt een inventarisatie van de ideeën die in de literatuur zijn opgeworpen voor aanpassing van de rechtspositie van werknemers bij insolventie van hun werkgever tevens onderdeel van het onderzoek.

Van insolventie is sprake wanneer een persoon of onderneming niet in staat is zijn of haar schulden te voldoen. In dit onderzoek wordt het begrip in een beperktere betekenis gebruikt. Wij verstaan onder insolventie uitsluitend de situatie waarin ten aanzien van een (rechts)persoon die een opnderneming drijft, een formele insolventieprocedure is ingeleid. Het onderzoek concentreert zich voor zover het Nederland betreft op het faillissement en de surseance van betaling. De schuldsaneringregeling natuurlijke personen blijft buiten beschouwing.

Bij de bespreking van de gevolgen voor de rechtspositie van de werknemers, beperken wij ons tot de ‘reguliere’ werknemers die een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd in de zin van art. 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hebben met de failliet. Niet aan de orde komen de consequenties van de insolventverklaring voor flexibele arbeidskrachten en zelfstandigen (zonder personeel) die werkzaamheden voor de gefailleerde onderneming verrichten. Ook de bijzondere positie van de bestuurder (statutair directeur) blijft buiten beschouwing. Voorts gaan wij niet in op de gevolgen van insolventie voor de pensioenaanspraken van werknemers.

 

Auteurs
Prof. mr. dr. W.H.A.C.M. Bouwens
Prof. mr. dr. W.L. Roozendaal
Mr. dr. D.M.A. Bij de Vaate

Maart 2015

 

Klik hier voor het onderzoek